Showing posts with label albums. Show all posts
Showing posts with label albums. Show all posts

Thursday, July 2, 2009

Anthrax @ Melkweg; nachtbus A'dam - Haarlem 02/07/09


Wil degene die mij kan vertellen waarom Grand Magus' Iron Will NIET de beste heavy metalplaat is sinds The Number of the Beast die niet van Hammers of Misfortune is mij even van repliek dienen? Thank you, and goodnight.

Thursday, April 9, 2009

The Clarkson


Kelly Clarkson (Fort Worth, Texas, 1982), de grand old lady van de bulldozerpop, heeft vocaal vaak meer weg van Bonnie Tyler of Joe Lynn Turner dan Miley of Avril; ze heeft een beetje een blank hees hardrock r&b shouter ding gaande, errug cool. De winnares van de allereerste American Idol zingt hoe dan ook werkelijk alle roze/zwarte dametjes (alleen Demi geef ik nog een geest van een kans) rechtstreeks terug naar de milk & cookies bij mama thuis met haar tsunamistem, die haar niet voor niets de force of nature bijnaam The Clarkson heeft opgeleverd. Na haar 'donkere' prom dress Evanescence plaat (lolz) My December (’t is gewoon pop hoor) is ze nu terug met haar vierde album All I Ever Wanted, en houzee, het is haar beste tot nu toe. We maakten al gewag van het Spoon plagiërende titelnummer (luister toch vooral nog eens even hoe ze daar big-bad-wolf stijl dat refrein komt binnenblazen), maar daarmee is de koek nog lang niet op. Hier een paar van de fijnste bulldozermomentjes:

My Life Would Suck Without You
Viel als aanvankelijke teaser in januari in eerste instantie nog een beetje tegen, maar van enige twijfel ben ik inmiddels wel dubbel en dwars genezen. Geschreven en geproduceerd door good old Max Martin en Dr. Luke.

I Do Not Hook Up
Hét prijsnummer wat mij betreft. Als ze terugkomt uit de bridge met die aangehouden hoge harmony noot (“fingeeeeeeeeeeeer!”) lijkt het potjandosie de Posies wel man, met spacey gitaren en al. Om even een goede indruk te geven van Kelly’s onaantastbare suprematie in het vocale departement, hier de “keep your thing in your pants”-versie van Katy Perry, die overigens een aantal songwriting credits krijgt op All I Ever Wanted.

Don’t Let Me Stop You
Het bevallige van The Clarkson is vooral dat ze ondanks die Stem toch altijd iets kwetsbaars, iets lijdzaams heeft, een wonderlijke combinatie die vreemd genoeg toch werkt en soms echt vreselijk tissues-in-de-aanslag hartverscheurend verterend kan uitpakken, zoals in dit liedje. Check dat refrein: “Don't let me stop you from doing what you wanna do /you don't wanna stick, trust me it's cool /take no chance gettin' over you / no, no, don't let me stop you, if you wanna leave, baby you can leave / just don't pretend that you're into me / if it ain't true, no, don't let me stop you” Ik bedoel, that's just plain br00tal! Vocaal valt het hier overigens te halen in de pre-chorus.

If I Can’t Have You
Ook voor de electrorock slettenbakken clubbanger bpop variant draait ze haar hand niet om, met toch ook weer dat zielige muurbloempje motief.

Whyyawannabringmedown
Lijkt me nou zó leuk om deze eens zonder blikken of blozen in een rawk DJ setje te gooien: “Vet, is dit de nieuwe The Gossip? Iets op In The Red misschien?” “Uh neuj, ’t is een Idols winnares met de producer van Color Me Badd ” Uno-dos-tres-suziquatro!


Eerste AI auditie: "SCORE!"

Tuesday, March 3, 2009

Bloodbath: De 2 Unlimited Van De Death Metal

4 tha ladiez… de Ray & Anita van Bloodbath

Eén van de beste platen van het afgelopen jaar was The Fathomless Mastery van Bloodbath. Ik stak er al eens de loftrompet over in mijn eindejaarslijstje, maar ik draai hem nog steeds bijna dagelijks en ben er eigenlijk nog laaang niet over uitgepraat. Want hoe graag ik het ook mag ontkennen, soms maken drums en zang bij metal wel degelijk het, of in ieder geval een verschil. Bij Bloodbath (check die aftandse Nederlandse wiki-pagina! ), een Zweedse death metal gelegenheidssupergroep die zo ongeveer per plaat van bezetting verandert, wordt in zekere zin de aloude tweedeling tussen songschrijvers en uitvoerenden weer in ere hersteld: De gitarist, bassist én gitaarroadie van Katatonia, Anders Nyström, Jonas Renkse en Per “Sodomizer” Eriksson, waren verantwoordelijk voor de riffs en de liedjes, en ondanks het feit dat deze heren ook meer dan verdienstelijk hun mopjes meespelen op de plaat komt het echt spectaculaire muzikale vuurwerk van de Opeth poster boys Mikael Åkerfeldt (zang) en Martin Axenrot (drums), wier meesterlijke performances het album onmiskenbaar naar een hoger plan tillen.

Neem bijvoorbeeld “Treasonous” , een nummertje dat, zoals wel vaker het geval is op The Fathomless Mastery, gitaarsgewijs een kunstig bijelkaargejat midden vindt tussen Morbid Angel, black metal en goeie ouwe Zweedse death, inclusief opzichtige hall-of-fame-Entombed-riff rip-off in het refrein (overigens ook de eigenlijke reden waarom die ‘gitaar die uit zichzelf geluid maakt’ zo goed klinkt). Qua drums giert de spreekwoordelijke stront je echter al vanaf de ventilator tegemoet als het intro nog maar halverwege is, wanneer “Axe” onder de zwartgeblakerde tremolo picking riffs van een ratel in drieën overschakelt (op 0:13) naar een nog net effe snellere vierkante recht-zo-die-gaat blastbeat. Soit, die is eigenlijk gewoon puur voor de show, maar hij gaat wel echt voor goud meteen na het refrein, als de gitaren de bijna shuffelende groove metal riff van het eerste couplet weer inzetten (0:56), en Axe, tussen de zang door, tot drie keer toe doelbewust dwars tegen de ‘swingende’ gitaren in zijn straight blasts (eerste keer) en polka’s (tweede en derde keer) doorspeelt, om zich bij de vierde en laatste keer weer comfortabel in de slepende groove-in-drieën van de rest van de band te settelen. Deze incongruentie van de drums en de gitaren, die een soort ‘harkend’ effect teweegbrengt, is een mooi voorbeeld van wat metalheads ‘ziek’ plegen te noemen, een door Morbid Angel gepionierd gevoel/geluid/principe, dat op deze plaat in de meest elementaire vorm ook nog eens prachtig wordt gedemonstreerd door de zak-aardappelen-van-de-trap-rollende basdrums onder de slijmerig groene openingsriff van “Mock The Cross”. Van die dingen waar je je met louter wit gevulde oogkassen bij voorstelt, weet je wel? Maar nog even terug naar “Treasonous” want het vetste moet nog komen. Na het tweede refrein wordt het bovengenoemde stukje nog eens gespeeld, gevolgd door een wat obligaat sologedeelte en nogmaals het refrein; maar dan (3:37) volgt de bonus riffage, altijd een van mijn favoriete onderdelen van goede metal, wanneer de band, als het nummer er eigenlijk al min of meer op zit, nog even kort gaat stoeien met de hoofdbestanddelen van het liedje en er met behulp van een paar welbekende stijlfiguren (die de benaming ‘riff’ niet echt verdienen) een speels einde aan breit: System overload gitaar squeals, monotoon gedender, gruntje doet ook nog even gezellig mee en in extremis (3:48) om het helemaal af te maken weer dat jakkerende gehark met die op zichzelf doorspelende drums … het duurt maar twee tellen maar o, o, o, Gezegend Zijn De Zieken.

Soortgelijke fijne spielerei (nogmaals, het betreft hier een hobbybandje van door de wol geverfde death metal veteranen) horen we ook weer terug in het coda van “Process Of Disillumination”. Dit nummer vertoont in het begin het kleine doch terugkomende euvel op The Fathomless Mastery van death metal riffs die weliswaar solide maar toch ook wel tamelijk pedestrian zijn, maar gaandeweg blijkt dat er louter sprake is van zorgvuldige opbouw en het niet meteen al je kaarten op tafel willen leggen. Bovendien wordt het nummer, zoals eigenlijk de gehele plaat, meteen al zonder meer gedomineerd door de vocalen van Åkerfeldt. Met Opeth krijgt hij al jaren een hoop kritiek te verduren van de kvlt-brigade, maar je zou bijna vergeten wat een top notch grunt hij in huis heeft: Bovenal autoritair als de Morgenster Zelve, maar ook redelijk verstaanbaar (wat in dit geval vanwege de, zeker in het licht van Opeth, extreem over the top blasfemische teksten absoluut van toegevoegde waarde is) en bijzonder sterk qua timing en ritmiek. Let in dit nummer bijvoorbeeld eens op de twee “eternal winter / prince of darkness… rise!” passages en het daaropvolgende geblaf in triolen (vanaf 0:22 en 1:52), of de getormenteerde oerkreten op 1:16, wanneer tevens de eerste echt memorabele riff te noteren valt, waarvoor ik eerder al de adjectieven ‘geleedpotig’ en ‘krioelend’ aandroeg. Dit juweeltje wordt dus in de adembenemende laatste minuut nog even flink opgepoetst: Voorafgegaan door een beproefd staaltje adrenalineverhoging dat geen verdere uitleg meer behoeft (2:17) dient tot onze lichte teleurstelling de ‘solide’ riff uit het eerste couplet zich weer aan (2:42), maar deze wordt nu halverwege abrupt afgebroken door het glinsterende exemplaar uit het insectarium (2;48), dat op zijn beurt weer direct op z’n staart getrapt wordt door de voltallige band, met speciale aandacht ook voor de dissonante bas- / lage gitaarpartij, want ga nou niet denken dat die Katatoniaatjes een stelletje koekenbakkers zijn, hè? Pats, boem, klaar. Masterclass metalliedje arrangeren. Nog vragen iemand?

Voor de liefhebbers is hier nog een zipje met mp3tjes van de drie genoemde nummers, maar pas op, de hierboven vermelde tijdsaanduidingen gelden voor de YouTube-versies. En gewoon de plaat kopen en lekker zelf luisteren mag ook natuurlijk, maar bedenk wel, the devil is in the details.

Bonus riffage:

Friday, February 27, 2009

Nutteloze Lijstjes #4: Twaalf Platen Die Mijn Leven Veranderden

Nou ja, veranderen... (ca. 1988)

Goed voorbeeld doet volgen:

1. Doe Maar - 4US (1983)
De eerste onmiskenbare fanboy ervaring. Als 9-jarige met mijn ouders naar het afscheidsconcert in Den Bosch (peeps, hoe hebben jullie daar destijds in godsnaam kaartjes voor gehosseld!?)

2. Talking Heads - Stop Making Sense (1984)
Silly music wordt geboren, in mijn hoofd, voor de spiegel en tijdens talloze playbackshows op school. Gek doen op een podium is leuk!

3. Iron Maiden - The Number Of The Beast (1983)
Mijn eerste zelfgekochte metalplaat, in de grote vakantie tussen lagere en middelbare school. Nog steeds niet van bekomen.

4. Beastie Boys - Licensed To Ill (1986)
Had ook Raising Hell of Yo! Bum Rush The Show kunnen zijn. Je zou het nu niet meer zeggen, maar ooo ja, I was a teenage basshead. Onlosmakelijk verbonden met de Bullit in Eindhoven, waar mijn beste vriend al die platen koopt die ik vervolgens mag tapen in ruil voor Slayer en Kreator. Metal en hiphop zijn dan nog beste vriendjes, ja.

5. Melissa Etheridge - Brave & Crazy (1989)
Mijn vader zag haar op Pinkpop en als op het oog ‘truie’ metalhead jat ik zijn tapeje van deze plaat om in de pauze op school in een stil hoekje in de walkman te gooien. Heimelijke terugkeer naar de ‘gewone’ muziek en al snel daarna alternatiever liedjesspul als R.E.M. en Pixies; daar durf ik inmiddels al wél weer voor uit te komen.

6. James Brown - Star Time (1991)
Totale met-stomheid-geslagen ontreddering wanneer ik deze boxset in 1991 onder ogen en oren krijg bij de cd-verhuur waar ik dan 'werk' / rondhang. Het Amerikaanse rootsmuziek kwartje van de eerste CD valt nog niet, maar da funk slaat in als een bom.

7. Nirvana - Nevermind (1991)
Harde gitaren en dikke pophooks FTW! Ik snap nu ook dat ik echt een ‘liedjesman’ ben, die bijvoorbeeld schouderophalend en ook wel een beetje hoofdschuddend voorbijgaat aan de hele Kurt-held-van-mijn-generatie factor.

8. Brand New Heavies - Brand New Heavies (1991)
Ongelooflijk achteraf, maar ik ben zo onder de indruk van deze plaat dat ik uit mijn gitaarbandje stap omdat ik niets anders meer wil dan funk drummen. Is er nooit van gekomen, behalve op de slaapkamer natuurlijk. Is ook leuk :-)

9. Various Artists - Lipstick On Your Collar (1993)
Soundtrack van de gelijknamige Dennis Potter tv-serie, vol met fifties rock ‘n’ roll, r&b én country, namelijk Hank Williams’ “Your Cheatin’ Heart”, wat mij om nog steeds onopgehelderde redenen als een magneet blijkt aan te trekken…

10. Hank Williams - 40 Greatest Hits (1978)
De beroemde gele dubbel CD, gekocht bij de V&D in Nijmegen ca. 1995, ik vermoed mijn meest gedraaide plaat aller tijden. Het americana hek definitief van de dam. Vijf jaar durende onderdompeling in het complete scala aan Amerikaanse muziek van vóór 1960 volgt.

11. Vader - Litany (2000)
De plaat die me weer helemaal terugbrengt bij metal, in 2000. Lees in OOR een recensie in de trant van “nu alle snelheidsrecords toch al definitief zijn gebroken door Nile & Vader…”, en besluit ‘m eens van de bieb mee te nemen. Begin overeenkomsten te bemerken tussen extreme metal en John Coltrane.

12. The Veronicas - The Secret Life Of… (2006)
Bulldozerpop ground zero. Sinds Ace Of Base heb ik mij nooit geschaamd voor mijn affectie voor POPmuziek: Venga-, Backstreet Boys, Britney, ik heb de cassettebandjes to prove it, maar deze plaat maakt dat ik het na jarenlange zijdelingse interesse ook eindelijk, net als echte-echte muziek, eens een beetje ga bijhouden. Morgen naar Everlife, zondag Katy Perry!


Hallo, ik ben Obi-Wan Kenobi en ik doe Buddy Holly na:

Monday, December 29, 2008

Top 2008

Ons kompjoeterke heeft 2008 niet overleefd, vandaar de eindejaarsstilte hierzo. Gelukkig waren de Subjectivisten zo vriendelijk mijn jaarlijstje inclusief copieuze uitleg te hosten, zie hier. De korte versie:

01 Sun Kil Moon April
02 Leviathan Massive Conspiracy Against All Life
03 Kathleen Edwards Asking For Flowers
04 Marit Larsen The Chase
05 Withered Folie Circulaire
06 Grand Magus Iron Will
07 Taylor Swift Fearless
08 Dismember Dismember
09 Miley Cyrus Breakout
10 Bloodbath The Fathomless Mastery

De beste concerten van 2008 zet ik nog wel even op een rijtje als we weer online zijn en op het gemak de last.fm past events kunnen overzien, maar eenzaam aan de top staat zonder meer Neil Young op Bospop. Voor volgend jaar staan er in ieder geval ook al weer een paar erg leuke shows op het programma: King’s X, David Byrne, Lily Allen, AC/DC én heuse bulldozerpop in het Patronaat, Everlife. Iedereen bedankt voor het lezen en reageren het afgelopen jaar, zie je aan de andere kant!

Wednesday, September 3, 2008

De Hammers Of Misfortune Street Team Komt Naar Je TOE Deze Najaar

Terwijl de rest van het internet peentjes zweet over de vers gelekte nieuwe Metallica (die zowaar niet onaardig klinkt, zo op het eerste gehoor), moeten wij hier uw aandacht toch even vestigen op de twee nieuwe pareltjes die ons knuffelbandje Hammers Of Misfortune zopas voor de zwijnen wierp. Over twee maanden komt de langverwachte dubbelelpee uit, of zoals de band het noemt, 'een split met zichzelf'. De twee teasers klinken ondanks enkele bezettingswisselingen (waaronder een nieuwe zanger) nog onmiskenbaar als de Hammers van The August Engine en The Locust Years, al vermoed ik mede op basis van het concept, de pasticheuze hoezen (Hawkwind? Ramases?) en de tracklists dat sommigen onder ons hun prog-o-meter weer even wat bij zullen moeten stellen (de Opeth-invloeden lijken er niet minder op geworden, getuige "Rats Assembly"). De productie lijkt ook niet noemenswaardig anders of beter, maar uiteraard stellen we dat oordeel beter uit tot we het vinyl in huis hebben. Het titelnummer van de tweede plaat is in ieder geval alvast prachtig, luister maar:


Thursday, August 7, 2008

Reign In Blood - het boekje


In de bijzonder prettige hap-slik-weg 33 1/3 reeks over klassieke albums verschenen dit jaar de eerste twee boekjes ter ere van metalplaten; niet over Zep en Metallica, maar over Sabbath en Slayer, want die zijn hardcore-der en eeuwig hipper. Master Of Reality kreeg de (semi-gelukte?) semi-literaire behandeling van Mountain Goat John Darnielle, Reign In Blood het min of meer traditionele ‘reconstructie a.d.h.v. getuigenverklaringen / persoonlijke herinneringen van de auteur en celebs / superlatieven-overload’ eerbetoon, van de hand van D.X. Ferris.

Een beetje sceptisch was ik wel vantevoren: Wat valt er nou nog voor zinnigs te zeggen over dit werkelijk door jan-en-alleman doodgeknuffelde standaardwerk, een plaat die bovendien überhaupt iedere beschrijving lijkt te tarten en gewoon is. De eerste dertig bladzijdes doen het ergste vrezen en zijn in drie woorden samen te vatten: Fuckin’ Slayer rules; en ook tegen het einde van het verhaal verliest Ferris zich weer in totaal overbodige Grote Woorden-loftuitingen (“Slayer is méér dan een metalband, het behoort tot de canon van de rock ‘n’ roll”) en overmatig veel aandacht voor de teksten (dat schijnen “uiteraard meesterlijke en onovertroffen overpeinzingen over het Kwaad” te zijn; ik zweer, nooit ook maar enige achting op geslagen). Maar gelukkig handelt de hoofdmoot van het boek over dat wat mij het meest interesseert, namelijk de minutiae van het opnameproces en wat daaraan vooraf ging.

Want áls ik al een prangende kwestie opgelost had willen zien in dit exposé, dan was het wel de precieze rol van de producer: In hoeverre kwam de koerswijziging ten opzichte van Slayer’s vorige plaat Hell Awaits, die toch meer traditioneel galmend episch jaren tachtig heavy metal was, uit de koker van de destijds (1985/1986) net doorgebroken 22-jarige Def Jam-labelbaas, RIB producer (zijn eerste metalklus) en inmiddels volop gelauwerde krasse knarren reanimator Rick Rubin? Ik heb jaren het sluimerende gevoel gehouden dat als bijvoorbeeld Anthrax’ of Dark Angel’s derde (danwel tweede) plaat door Rubin zou zijn geproduceerd, zij zonder meer de plek van Slayer in de geschiedenisboeken hadden ingenomen. Om met Anthrax te spreken: NOT! Op het moment dat Slayer bij Def Jam tekende was al het ultrakorte/-snelle/-harde songmateriaal voor RIB (grotendeels geschreven door gitarist Jeff Hanneman en sterk beïnvloed door zijn voorliefde voor hardcore punk) al op de band geslingerd in de oefenruimte (Tom Araya’s garage) en Rubin wilde juist koste wat ‘t kost het rauwe in-your-face geluid van die demo vastleggen in de studio. Met behulp overigens van zijn linker- én rechterhand, engineer Andy Wallace; Rubin was ook toen al in de eerste plaats de Zenmeester met de gouden oortjes die luisterde, wikte en beschikte vanaf de sofa en het vuile werk verder overliet aan de techneuten.

De fly on the studio wall-passages zijn zoals gezegd het leukst, bijvoorbeeld als Rubin aan de hand van een inderhaast geschetst tekeningetje aan Hanneman probeert uit te leggen welk een desastreuze uitwerking een reverb-effect (galm) heeft op de baan van de geluidsgolven uit zijn Marshall-versterker; de blik van Hanneman, die door Ferris wordt neergezet als zowel het brein achter RIB (tevens beaamd door de andere songwriter van de band, gitarist Kerry King) als het enige echte numbskull SoCal hesherdude feestbeest van de band, moet onbetaalbaar zijn geweest. Ook een scène om met graagte de fantasie de vrije loop bij te laten: Russell Simmons die samen met zijn Def Jam-homies in full Adidas-cum-bling regalia ook maar eens bij een Slayer-show gaat kijken waar zijn zakenpartner Rubin toch zo vol van is. En nu weten we eindelijk waarom (nl. genomen tijdens een festival in België) ze op die legendarische foto op de achterkant van de hoes toch met van die mietige 0,25 l. blikjes Stella Artois staan te poseren. Goed, ik zal niet alles verklappen, maar het is al met al best een onderhoudend boekje dus, met terecht ook veel aandacht voor drummer Dave Lombardo en zijn drie gloriemomentjes: De dubbele basdrumbreak in “Angel Of Death” (28 hits in 2 seconden!), het intro van “Criminally Insane” (inmiddels het ultieme drumsoundcheckcliché) en de knock-knock-knock-who’s-there flam tap binnenkomers van “Raining Blood”.

Maar de grootste eye opener zit voor de goede verstaander verstopt in Ferris’ beschrijving van de Hit City West studio in Los Angeles: “In an entrance/office-lounge area, a tabletop Galaga videogame kept musicians occupied while the rest of the band took their turn.” Kijk, dat is nou nog eens informatie waar we wat mee kunnen. Rubin, Russell, reverb, reptielenverzameling, rancuneuze ex-roadies, 25-cm.-spijkers-armbanden, Geen Slaap Tot Breukelen, Cubaanse percussie, Mengele, Chileense disco… vergeet het, allemaal niet van belang. Het sleutelwoord hier is Galaga. Klassieke 1981-stijl Space Invaders-achtige rapid fire shoot ‘em up met een surplus aan whammy bar joystick action ter ontwijking der vijandige projectielen... Ik bedoel, je moet er toch niet aan denken hoe Reign In Blood zou hebben geklonken als er een Frogger of Paperboy-kast had gestaan!

Monday, May 5, 2008

Kathleen Edwards


Fuck it, laat ons dan maar meteen het hoe dan ook onvermijdelijke L-woord bezigen: Als Lucinda Williams de aandoenlijke, zelfbeklagende zuipschuit met zo’n nét iets te irritant harde stem hangend aan het einde van de toog is, dan is Kathleen Edwards de begripvolle doch onverbiddelijke barmadam die na sluitingstijd haar drunk ass de straat op kickt en een taxi voor haar bestelt.

Jawel, lieve blogleeskindertjes, Edwards’ derde plaat Asking For Flowers is naar mijn smaak voorlopig de beste van 2008. Met voorganger Back To Me (2005) was al niet heel veel mis, maar dit is pas écht een Baas, minder hard rockend maar des te harder aankomend, een emotionele head lock waar geen ontkomen aan is: Vastberaden, onverschrokken, intens, en toch intiem en gracieus.

Mijn eerste kennismaking met Edwards was in 2003 bij haar inmiddels semi-legendarische optreden op Blue Highways, waar ze bij aanvang toch echt nog even kwijt moest dat “this might be an americana festival, but I’ll have you know I’m from Canada thank you very much.” Die boksfoto is wat dat aangaat minstens zo treffend als die van the EZB hierzo linksbovenaan de pagina. Edwards noemde zichzelf ooit een stubborn little bitch en ze kijkt songtekstsgewijs dan ook niet op een vierletterwoordje meer of minder (“Sure As Shit”, “The Cheapest Key”), toch niet echt usance binnen de country, maar dat is dan weer één van de voordelen van het Canadees zijn, zo lijkt me. En ja, dat ‘alt.’ hoort er natuurlijk ook niet voor niets vóór te staan. Edwards (29) heeft immers, in tegenstelling tot een hoop generatiegenoten die voor ’t gemak onder het genre worden geplaatst, ook daadwerkelijk iets alternative’s in haar manier van zingen; soms herken je duidelijk die ietwat ongecontroleerde pissed off punksneer van Ani DiFranco en Laura Veirs. Ze valt dan ook op tussen al die andere alt.country zangeressen (Tift Merritt, Alison Moorer, Laura Cantrell, Kelly Willis etc. etc.) door een gebrek aan eagerness to please, echter zonder dat het verzandt in een ongeloofwaardige tough girl-pose, want de knipoog lijkt me moeilijk te missen bij bovenstaande foto (die lipjes!).

Als je nu haar debuut Failer (2003) terugluistert, toch een plaat die destijds ontzettend, en terecht, veel lof kreeg toegezwaaid, hoor je meteen hoe enorm Edwards vooruit is gegaan als zangeres, iets wat ze in interviews zelf ook toegeeft, of eigenlijk gewoon trots mededeelt, evenals het feit dat ze eigenlijk helemaal niet streeft naar verbreding van haar stilistische palet, maar zich volkomen op haar plek voelt in het americana/alt.country/folkrock-genre en vooral op zoek is naar verdieping en kwalitatieve progressie als zangeres en songschrijver. Da's een hele zwaarwichtige mond vol, maar het is wel precies waar de kracht en de niet aflatende intensiteit van Asking For Flowers vandaan komen. Muzikaal gebeurt er namelijk weinig schokkends, al is het allemaal zéér adequaat gespeelde, lekker omfloerste Lanois-mericana, fijn, mooi, precies goed. Van mij had het ook best nog wel wat smeriger en ruiger gemogen her en der, maar dat is feitelijk gezeur in de marge; het draait uiteindelijk toch, zoals het hoort, om Edwards' stem en persoon(lijkheid). Ze bijt zich vast in de liedjes en laat niet meer los. Zelfs de comic relief van “The Cheapest Key” en vooral “I Make The Dough, You Get The Glory” wordt wel zo enorm ‘naar huis’ gezongen door Edwards dat je bijna vergeet om te lachen. Zo is het naamdroppen van Marty McSorley, wat als ik het goed begrijp zo’n beetje het ijshockeyequivalent van Marco Materazzi is, zonder meer grappig bedoeld, maar hoor haar dat refrein eens zingen, op de top van het bereik van haar sowieso al ‘ademige’ stem… Nu houd ik zoals gezegd van-niets-als-niet-van silly music, maar als een artiest (of beter, ikzelf als luisteraar) met gemak zonder gekkigheid af kan, dan is het, eerlijk is eerlijk, ook wel des te indrukwekkender.

Het wordt altijd een beetje oneerbiedig een snik in de stem genoemd, maar mits met beleid gebruikt is het een machtig wapen, zeker bij een tough cookie als Kathleen Edwards. Ze bewaart ‘hem’ tot de climax van het nummer en met een beetje geluk komt op zo’n moment zelfs haar Canadese accent bovendrijven (“my heart nearly burst right ou-oot of my chest”, klinkt het in "Run"); eigenlijk hebben we het hier over het verschil tussen 'een snik in' en 'het breken van' de stem. In "Oh Canada" hoor je bijna letterlijk haar stembanden trillen van het stampvoeten, het contrast onderstrepend tussen dit uitgesproken Canadese protestliedje en het veel subtielere "Oil Man's War". Want ja, Canadese americana, het blijft een bijzonder fenomeen (met een beetje goede wil kun je stellen dat de grondleggers van het genre ook van boven de 49e breedtegraad zijn, Neil Young en The Band, en hell, zelfs Dylan is geboren aan Lake Superior…), wat soms voor lastige situaties zorgt, zeker als je je gaat wagen aan politieke songs (vraag het de oude Nelis zelf). Edwards gaf ook al eens aan er moeite mee te hebben om als Canuck op een podium in pak-‘em-beet Birmingham, Alabama het Amerikaanse publiek de les te gaan lezen over hun stomme oorlog, maar ze lost het in “Oil Man’s War” mooi en toch ook wel een beetje ondeugend uitdagend op door er een Nebraska-stijl gewone-mensen verhaal van te maken, over een jong stel dat vlucht voor de dienstplicht, jawel, naar ‘het Noorden’.

Country is op twee manieren heel mooi, namelijk als rock ‘n’ roll voor gevorderden (zoals metal rock ‘n’ roll voor beginners is) én als Amerikaanse volksmuziek waarin de mysterieuze, verstilde 19e eeuw een stem krijgt, als u mij toestaat even schaamteloos Greil Marcus on yo asses te worden. Jimmie Rodgers vs. the Carter Family, Hank Williams vs. The Louvin Brothers, Lucinda Williams vs. Alison Krauss, of zaterdagavond vs. zondagochtend, zo u wil, al kunnen de échte groten, zoals ome Hank en mama Lu, maar bijvoorbeeld ook Steve Earle of Jeff Tweedy, natuurlijk met beide uit de voeten. In die tweede categorie is “Scared At Night” wat mij betreft het goed getimede (één-na-laatste nummer) hoogtepunt van Asking For Flowers, zo’n perfect akoestisch country nummer dat klinkt alsof je het al jaren kent (vooruit, er zit dan ook daadwerkelijk het bekende terug-loopje uit "The Weight" in aan het einde van het refrein; over Canadese glorie gesproken) en in alle eenvoud en sentimentaliteit (het gaat, hoe Carter-esque, over dode oma's) enorm ontroert. Dit is ook het nummer waarin de invloed van Ryan Adams (circa Heartbreaker) het duidelijkst is terug te horen, één van Edwards’ grootste voorbeelden; producer Jim Scott zat ook bij Whiskeytown achter de knoppen. En over 'invloeden' gesproken: "Oil Man's War" lijkt dusdanig veel op Car Wheels opener "Right In Time" dat Edwards zich voorlopig al die voor de hand liggende vergelijkingen toch echt zal moeten laten welgevallen.

Wat nog meer? Te veel om op te noemen. Zo is "asking for flowers is like asking you to be nice" een klassieke country one-liner, wat bijna automatisch betekent dat het in de handen van minder getalenteerde zangeressen zou kunnen verworden tot een tenenkrommende Viva-platitude; zoniet bij Edwards. Verder begint de plaat onverwijld bloedstollend met het pianopedalengekraak tussen de basisakkoorden van "Buffalo", de openingstrack die meteen dient als lakmoesproef: Het is zo goed dat ongestraft een blik strijkers (violen, geen fiddles) kan worden opengetrokken. Edwards speelt zelf mee, viool is haar 'eerste' instrument, wat volgens haar ook de oorsprong is van haar gevoel voor zangharmonie. Een mooi truukje wat ze daar wellicht aan over heeft gehouden is een soort van denkbeeldige harmony vocals-voor-één-stem ("Buffalo", "Oh Canada"), oftewel het halverwege een strofe van eerste naar 'tweede' stem overschakelen. In "Buffalo" doen de strijkers daarbij ook nog eens prachtig hun contrapuntige ding, dus ja, zakdoekjes paraat zakmazegge... Zoals men bij 8weekly al schreef, het blijft lastig om zinnige dingen te zeggen over een bijna volmaakte plaat. En dan heb ik een instant klassieker als "Alicia Ross" nog buiten beschouwing gelaten. 18 juni Vera, 19 juni Melkweg, 20 juni W2, meer hoeft u eigenlijk niet te weten...

Asking For Flowers promo / song previews:



Vorig jaar leende Edwards haar stem aan een paar nummers op cowpunk godfather John Doe's alleraardigste A Year In The Wilderness, en zo verstopt op een argeloos gedownloade plaat grijpt ze je helemaal zonder weerga bij de keel, met name in "The Golden State". Die staat niet op YouTube, wel deze Grammylou chestnut:

John Doe & Kathleen Edwards - "We'll Sweep Out The Ashes In The Morning"

Friday, April 18, 2008

Ajeto #1: LeVert vs. Leviathan


Oftewel: Buurman & Buurman in Hirams platenkast. Inmiddels tot en met de L gevorderd bij het catalogiseren van m'n LPs, kom ik steeds meer bizarre koppeltjes tegen van platen die wegens alfabetische redenen tot elkaars nabijheid zijn veroordeeld. Lijkt me een goed excuus om te pas & te onpas eens wat leuke muziek onder de aandacht te brengen hierzo, met als interessante nevenoptie ook het tegen elkaar afwegen van twee platen van dezelfde band. Als de situatie er om vraagt zal ik ook niet schromen eens een greep uit de CD kast te doen.

LeVert - Just Coolin' (LP 1988)

Uit een partij LPs van de opa van mijn nicht (!?) waar als ik me goed herinner ook een paar vette oude Solomon Burke's en Beatles en moneau tussenzaten. LeVert was een new jack swing trio dat recent weer in het nieuws was vanwege het nogal tragische (net achter de tralies gezet) overlijden van Sean LeVert; zijn broer en bandleider Gerald stierf in 2006 al aan een 'ongelukkige' overdosis (appel, boom: Hun vader Eddie was leadzanger van de O'Jays). Arrenbie van twintig jaar terug: Een waar drumcomputerbombardement aan shakers, claves en overige GoGo-percussie, snaredrums als zweepslagen, gastrappende hiphop-ster, skits tussen de nummers door, schokschouderende danspasjes in een hagelwit decor, hi-top fades, maar bovenal ook zoetgevooisder dan Willem Duys ooit had kunnen bevroeden. Aan de hoes (excuses voor het brakke fotootje, erop klikken helpt wel wat) te zien hadden de boyz een lucratieve sponsordeal met Sergio Tacchini (waar je inderdaad van aan de dope schijnt te geraken) en het klassieke Fido Dido t-shirt van derde lid Marc Gordon in de clip van het titelnummer mag er natuurlijk ook wezen:

LeVert feat. Heavy D - "Just Coolin'"


Leviathan - The Speed Of Darkness (EP 2003/2006)

Deze kocht ik bij het (nogal saaie) concert van Isis vorig jaar in Paradiso, op groen vinyl uit een gelimiteerde oplage van 466 exemplaren; er werden er ook nog 200 op doorzichtig vinyl geperst, dus doet u die wiskunde verder zelf maar. Groen past ook wel bij black metal, de kleur van de zieken van geest. Het betreft een heruitgave van een split uit 2003 en laat de heer Wrest wat meer van zijn heftige beukzijde horen, daar waar hij ook nog wel eens de volbloed atmosferische kant verkiest op andere platen (ook zeer de moeite, check bv. A Silhouette In Splinters en vooral z'n beunhazerij als Lurker Of Chalice). Misanthropische Amerikaanse éénmansblackmetal, maar dan wel een stuk pakkender dan Leviathan's eveneens Californische aartsrivaal Xasthur, die zich toch vooral onledig houdt met een queeste naar het ultieme audio-equivalent van drijfzand waarbij memorabele riffs niet bijster van belang zijn. Die riffs maken nou juist dat Leviathan altijd een streepje voor heeft op de rest, luister bijvoorbeeld eens naar dit prijsnummer van The Speed Of Darkness, waar halverwege een quasi-botte Celtic Frost-riff de gracieus deinende blackgaze-passages wreed (in a good way) komt verstoren:

Leviathan - "Pondering The Wealth Of Stars"

Wednesday, April 9, 2008

lmnoptt


Natuurlijk vind ik het doodzonde dat Get Records, Boudisque en al die andere platenzaken langzaam maar zeker aan het verdwijnen zijn, maar inmiddels begin ik toch ook wel danig de lol in te zien van het plaatjes scoren via internet. Die cheap ass $ is uiteraard een prettige bijkomstigheid, maar echt leuk wordt het pas als je de goodies bij de artiesten zelf gaat bestellen. Zo ontving ik een week of wat terug een keurig (FRAGILE!) langspeelplaatvormig pakketje uit Chattanooga, Tennessee met daarin een gesealed, handgenummerd (#1,060 van 3,000) exemplaar van Elemen Opee Elpee, de eerste LP van LMNOP uit 1986. Zal waarschijnlijk niet echt bekend in de oren klinken, maar het is toch maar mooi de enige echte nummer acht-en-zestig in John M. Borack's vermaarde lijst van ultieme powerpop albums (voor de liefhebbers, klik & kwijl). LMNOP is het ietwat schimmige éénmansbandje van Stephen M. Fievet aka Don W. Seven aka Marcia L. Lampe aka etc., van wie ik per ommegaande een vriendelijk mailtje ("Thanks and have a great 2008... donw7 ") terugkreeg toen ik de plaat bestelde via zijn website. Fievet schijnt iets van een cultfiguur te zijn in bepaalde kringen, hij is ook striptekenaar, dichter en, blijkbaar reeds sedert 1996, internetmuziekrecensent (van Napalm Death via Anne Murray tot Wynton Marsalis, zo zien we het graag), maar er is verder niet veel terug te vinden over zijn bandje en hemzelf, dus als er iemand is met wat meer info (interview?)... Zoals ik al van de (komt die grap) elemenopeedrietjes wist, is de plaat in ieder geval tamelijk geniale twee-ige powerpop met een fikse britse Buzzcocks cum C86-vibe en een voorzichtig streepje SoCal punkpop. Ik viel ook meteen als een blok voor z'n stem, wat u?

MP3 LMNOP "Tapes"
MP3 LMNOP "Please Believe Me"
MP3 LMNOP "Comparative Analysis"


En de hele plaat staat vol met van zulkse pareltjes... Maar kers op de taart is toch wel die groene US Postal Service sticker op het pakketje. "Kwantiteit en gedetailleerde omschrijving van inhoud: 'plaat'." Een 'kadootje' van de heer S. Fievet. En hij heeft m'n naam nog goed geschreven ook!

Sunday, March 30, 2008

HoM --> PL


Profound Lore is één van de hipste ondergrondse metallabels van het moment, uit Canada nog wel. Vorig jaar zetten ze zichzelf ogenschijnlijk vanuit het niets op de kaart met cutting edge extreme platen van Alcest, Portal, Wold en zo nog een stuk of wat bands die de grenzen van het genre opzoeken en meestal ruimschoots overschrijden, bijvoorbeeld door elementen uit avantgarde noise, folk of shoegaze toe te voegen. Uitstekende munitie dus ook in de 'strijd' tegen de naysayers die metal nog steeds louter in termen van Spinal Tap en Beavis & Butt-head wensen te blijven bezien. Zopas is de catalogus alweer uitgebreid met een mooie nieuwe plaat van Wrath Of The Weak, één-persoons black metal uit New York met een eigen smoel waar er een hoop jaloers op mogen zijn. Maar het beste bewijs van Profound Lore's exquise smaak is wel dat, als ze dan toch een volbloed zwaarden&tovenaars \m/HEAVY\m/METAL\m/ band (want eerlijk is eerlijk, dat blijven toch de leukste) aan hun roster toevoegen, ze ook maar meteen het bestbewaarde geheim van het genre weten te strikken: Hammers Of Misfortune, astebliefdankjewel. De plaat van het jaar zal met een beetje geluk in het najaar verschijnen, dus wanneer tout metalland tegen die tijd het spandex staat te besmeuren... remember, you heard it here first! Ik heb mezelf bij wijze van zoethoudertje vast The August Engine op vinyl kado gedaan.

Meer over Profound Lore hier (Popmatters feature).
Meer over de Hammers hier (x hiram x feature).

Welaan, speakers op 11:
Hammers Of Misfortune - "The Locust Years" (live @ SXSW 2007; let op voor dat Heerlijk Headbangmomentje op 2:03 min. en Venom t-shirt)


Hammers Of Misfortune - "Trot Out The Dead" (live @ SXSW 2007)

Monday, March 17, 2008

Decrepit Death


Niet iedereen van mijn generatie zal het even grif toegeven, maar dat hele retrothrashgebeuren is natuurlijk gewoon keileuk (mijn favoriet is TOTAL WAAAAAAAAARbringer), en niet in de laatste plaats omdat het een goede aanleiding is om de oude (semi)klassiekers weer eens uit de kast te trekken. Nooit gedacht dat ik anno 2008 nog eens een druilerige zondag zou opzomeren met Moeilijke Tweede platen van bonafide rechter-rijtje-eerste-divisie-thrashklanten als Atrophy (opener "Puppies & Friends" nog steeds toppie) en Defiance (vette productie, apart drumwerk, ik had blijkbaar in 1990 ook al goede smaak :) ). Desalniettemin is het erg verfrissend als je voor de verandering een band tegenkomt die de teletijdmachine nu eens niet op '1988', maar op '1995' heeft geprogrammeerd: Decrepit Birth. De naam doet goregrind vermoeden, maar hun nieuwe plaat Diminishing Between Worlds is een verrassende hommage aan de 'klassieke' melodische, technische death metal zoals Death die perfectioneerde op Individual Thought Patterns en Symbolic. Twee jaar terug maakte Into Eternity ook al een dergelijke Schuldiner-aanbiddende langspeler (The Scattering Of Ashes), maar waar die Canadese band het vooral vanuit de power metal hoek benadert, wortelt Decrepit Birth (uit Santa Cruz) stevig in n00ties br00tal hakketakke techdeath. Minder liedjes met kop & staart en meer blastbeats dus dan Death, maar het gitaarwerk is prachtig plagiaristisch Chuckiësque (zelfs de gouwe ouwe “Leprosy”-riff wordt geciteerd in “Essence Of Creation”) en de kracht van de plaat, die bij vlagen ook wel Morbid Angel in gedachten roept, zit 'm toch echt in de talloze melodieuze riffjes en solootjes, niet in de stootkracht, en dat is een dappere keuze binnen dit genre. De sound is relatief organisch (je kunt de gitarist horen ‘overpakken’ tijdens de breakdowns), en de bas flappert zich, vertrouwd à la DiGiorgio, zo nu & dan naar voren in het geluidsbeeld. Groei-/zoekplaatje dat niet snel gaat vervelen en zelfs geregeld, dare I say… ontroert. Qua death ben ik sowieso weer even uit de brand: De nieuwe Dismember is de oude school beukplaat die ik vorig jaar node miste (hun gitaarsoundcheck in P3 vorige maand is mijn voorlopige concerthoogtepunt van 2008) en Portal’s Outré is aan de andere kant van het spectrum het over het hoofd geziene avantgarde-snoepje van 2007; alsof ze de zieke bonustracks van de laatste Morbid Angel aanelkaar hebben geplamuurd tot één loodzware ondoordringbare plak, uhm, kangaroestront.

Kitchen sink death metal, who'd've thunk it?
Decrepit Birth - "The Living Doorway"

Thursday, February 21, 2008

TOP2007! It's A Wrap

1. Lyle Lovett & His Large Band - It's Not Big, It's Large
Klein, Texas
MP3 "All Downhill"

2. Future Of The Left - Curses!
Cardiff, Wales
MP3 Small Bones Small Bodies

3. Alasdair Roberts - The Amber Gatherers
Callender, Scotland
MP3 The Calfless Cow


Zo, klaar :-)

Wednesday, February 13, 2008

Paul Collins' Beat


In de archieven van de 1970/80s power pop valt voor mij gelukkig nog genoeg te schatgraven. Nu kan ik alle Belangrijke Namen (flamingroovies-raspberries-bigstar-shoes-cars-badfinger-knack-rubinoos-cheaptrick-20/20yadayadayada) al jaren opdreunen alsof het de opstelling van Feyenoord in de UEFA Cup finale (edwin-christian-kees-patrick-thomasz-paul-shinji-bonaventure-jon-pierre-robin) betreft, compleet ben ik echter nog verre van, dus zo af & toe mag ik er graag weer een paar van de lijst afstrepen na een succesvol middagje tweedehands checken danwel avondje downloaden van het onvolprezen InterWeb. Aldus stuitte ik laatst op de titelloze debuutplaat van The Beat uit 1979 en dat blijkt potdikkie een bescheiden meesterwerk te zijn, waar mijn hart al een paar weken vol van is en mijn mond dientengevolge van over begint te lopen, waarvan acte.

The Beat werd in 1978 opgericht door ex-Nerves, ex-Breakaways (beiden met Peter Case in de gelederen) drummer Paul Collins, New Yorker in Los Angeles, en staat later ook bekend als Paul Collins’ Beat, om verwarring met skaband The (English) Beat te voorkomen. De bandnaam verwijst niet alleen naar de vroegere slagwerkzaamheden van Collins maar ook naar de British Invasion, die behoorlijk nagalmt op The Beat.

Opener “Rock ‘n’ Roll Girl” klinkt precies zoals je verwacht, uptempo garagepowerpunkpop, refreintje dat bestaat uit domweg 3 keer “I wanna be with a rock’n’roll girl”, met opzichtige triolen-accenten op ‘rock’n’roll’ en al; goeie shit. De Ramones, oude toermaatjes van de Nerves, zijn sowieso nooit ver weg ("U.S.A." legt het er wel heel dikkiedik bovenop), al is het allemaal wat minder numbskull en wat meer clever à la de boze jongemannen met dunne stropdassen-brigade van Elvis Costello, Graham Parker en Joe Jackson. Dat typische, net iets too eager toontje van de new wave doet liedjes als “Different Kind Of Girl” (alleen die titel al, na dat eerste nummer) en “Work-a-day World” bijna aan de verkeerde kant van de potsierlijkheidsgrens belanden, ware het niet dat zelfs de mindere broeders op de plaat hooks-a-plenty bezitten, het eerste gebod van de power pop natuurlijk. Daarbij is Collins’ stem, die onverwacht mooie nootjes pakt in een lekkere raspende schreeuw met snik en een vleugje nasalité (als dat een woord is; ik probeer mijn stopwoordje ‘sneer’ te vermijden), ook een machtig wapen, evenals het glorieuze Vanda/Young-era AC/DC braakscheurgitaargeluid her & der. Dat laatste zou trouwens best wel eens denkbeeldig kunnen zijn, vanwege de van LP geripte mp3tjes: Prijsnummer “Walking Out On Love” heeft dus ook op de iPod die mooie einde-van-kant-A-stof-op-de-naald knettersound. Toen ik twintig jaar terug Powerage en Let There Be Rock op een TDK D90 bandje opnam had ik een versterker/pick-up combinatie die steeds harder ging naarmate er minder geluid weer te geven was, met als gevolg een vertrouwd aanzwellend geruis aan het einde van iedere plaat; als het te lang aanhield ging 'ie zoemen, wat minder cool was (toevallig blogde Araglin deze week ook over stilte en ruis, zie hier). Anyway, yay for vinyl rips!

Nog even over "Walking Out On Love": Het duurt één minuut en zeven-en-veertig tellen, gewoon drie keer hetzelfde blokje meesterlijk aanelkaargeknoopte hooks herhaald. Mag ik hier de hand van de (ex-)drummer, die haarfijn aanvoelt hoe dit varkentje dynamisch/arrangement-technisch te wassen, menen te ontwaren? Collins kan zich vocaal ook prachtig vol overgave in zo'n hook 'gooien', zoals in het koebelaangedreven "Working Too Hard" (1:57 min.): Maatje smokkelen aan het eind van het couplet en lift-off door middel van een welgemikte floortom: "SO! Whyyyyyyy doooooon't you..."; hij is fijn. Verdere stand-outs zijn de hoekige hardrockshuffle "I Don't Fit In" en "Don't Wait Up For Me", waar u een Who rip-off kunt horen muteren naar Spoon avant-la-lettre: Die dictie ('tonight' wordt 'dnide'), dat gortdroge, afzakkende gitaarloopje... dit móet Britt Daniel ooit gehoord hebben voordat hij bijvoorbeeld "Don't Make Me A Target" schreef.

The Beat en Paul Collins hebben het nooit verder geschopt dan een cultstatus onder power pop afficionados (zijn we dat niet allemaal? Ik bedoel, kom op, what's not to like?) en zagen vooral The Knack goede sier en een aardig zakcentje maken met soortgelijke muziek. Akkoord, "My Sharona" is, als de "God Only Knows" van de power pop, uiteraard boven alle discussie verheven ("WOOOOO!"), maar The Knack heeft toch echt geen langspeler gemaakt die kan tippen aan The Beat. Zegt het voort.

En verdomd als het niet waar is: Niet alleen lijkt The Knack ook fysiek eng veel op The Beat, maar Paul Collins heeft ook nog eens de holle ogen van Bon Scott én de motoriek van Angus!

The Beat - "Walking Out On Love"


The Beat - "I Don't Fit In"

Tuesday, January 22, 2008

TOP2007! #4: The New Pornographers

Vancouver, Canada

4. The New Pornographers – Challengers

Oei, de Pornos slechts op 4, dat is toch zoiets als Gregoor van Dijk die een penalty mist… Mass Romantic, Electric Version en Twin Cinema waren immers onbedreigd plaat van het jaar in 2000, 2003 en 2005 (en wel hierom), en zorgen er nog steeds voor dat Carl Newman en zijn vriendjes bij mij een flinke streep vóór hebben op de rest, ook al is het glas op Challengers maar halfvol. Gelukkig zijn er op deze voor hun doen ingetogen plaat nog steeds een paar glorieuze knock yourself out liedjes rechtstreeks uit het Ministry Of Silly Music te vinden: “My Rights Versus Yours”, “All The Old Showstoppers” (met “Rock Lobster”-orgeltje en subliminaal Close Encounters Of The Third Kind-bliepje), “All The Things That Go To Make Heaven And Earth” en “Mutiny I Promise You”. Verder zijn ook “Failsafe” en “Go Places” (misschien wat minder uitbundig, maar nog steeds) bovengemiddeld goed en de titelsong is een kleurplaat met lijntjes van zang, acoustica en percussie waar je zelf het stompende powerpop arrangement bij mag invullen. Drummer Kurt Dahle is een fijne exponent van de Keith Moon big & stoopid school, zo zag ik hem een paar jaar terug al tijdens de eerste maten van het openingsnummer een drumstok in de lucht gooien en niet opvangen, maar een lól dat’ie had, heerlijk. Wel de lelijkste hoes van het jaar, maar dat geeft niet: Gewoon hard draaien en let the Kate Pierson giddiness take control...

Monday, January 21, 2008

TOP2007! #5: Wilco

Chicago, Illinois

5. Wilco - Sky Blue Sky

Zie hier voor mijn ‘laat-ons-nu-Sky Blue Sky-prijzen’-moment, waaraan ik nog wel even toe wil voegen dat het genoemde concert één van de beste was van het vorige jaar, en wat mij betreft ook een kleine revanche voor het wat minder vervoerende optreden van een jaar of twee terug, al herinner ik me nu weinig details meer, behalve dat ik vlak naast de heerlijk verkoelende rookmachine stage right stond met een mooi uitzicht-van-dichtbij op drummer Glenn Kotche, die een vreemdsoortig doorgeëvolueerde drumstijl bezit waarbij het gevoel de techniek in ergonomisch twijfelachtige exotische oorden gedreven heeft (soms lijkt het wel alsof hij de vogeltjesdans doet) en wiens soloplaat Mobile (2006), een mathematisch percussie-experiment geïnspireerd door Steve Reich, ik na afloop kocht alsmede een dik blitse dubbelvinylen heruitgave van Butch (1997), het avantcountrypunk meesterwerk van The Geraldine Fibbers, wier zangeres Carla Bozulich op zeer indruk-, om niet te zeggen huiveringwekkende wijze (ze speelde niet alleen een snoeiharde cover van Low maar hield ook minutenlang het hoofd van een toeschouwer vast terwijl ze in haar oor 'zong') het voorprogramma verzorgde, uiteraard samen met ex-Fibbers en huidige Wilco gitarist Nels Cline, al jaren een hooglijk gewaardeerde feedbackverfrommelende freejazz-virtuoos zoals bijvoorbeeld te horen op het prachtige New Monastery: A View Into The Music Of Andrew Hill (2006, met nota bene een accordeon in de gelederen) en de schedeldakzandstralende drum/gitaar-explosie Interstellar Space Revisited: The Music Of John Coltrane (1999, met Gregg Bendian), waarmee ik maar wil aangeven dat head honcho en discoliefhebber (ik gebied u in ieder geval deze clip niet over te slaan) Jeff Tweedy, die zelf overigens ook graag van de straat probeert te blijven middels talrijke solo-optredens en schnabbels bij alt.country supergroep Golden Smog (de eerste twee platen zijn, niet in het minst, eerlijk is eerlijk, door opperJayhawk Gary Louris' bijdragen, toppers en men is, inmiddels sans Tweedy, alweer toe aan album nummer vier) en Loose Fur (check zeker hun (Kotche en parttime Wilcoër / Sonic Youther / platenverprutser Jim O’Rourke doen ook mee) vreemd-fijne Born Again In The USA (2006)), wel een neusje heeft voor het uitzoeken van talentvolle begeleiders, een benaming die immers ook bassist John Stirratt en multi-instrumentalist Pat Sansone, samen al drie albums volspelend als The Autumn Defense, bezwaarlijk ontzegd kan worden, ofschoon ik natuurlijk niet zou durven beweren dat toetsenist / audiokunstenaar Mikael Jorgensen (zijn andere bandje heet Pronto) er wél usance van maakt het karretje in de poep te rijden, want zeg nou zelf, is Sky Blue Sky dan niet zo’n zeldzame plaat om in je eentje heerlijk in weg te kruipen, gelijk een klassieke Springsteen van dertig jaar terug, of, om maar weer eens met een variant van het aloude cliché af te sluiten, hun beste sinds Summerteeth?

Saturday, January 12, 2008

TOP2007! #6: Anaal Nathrakh

Gay Pride in Birmingham, England

6. Anaal Nathrakh – Hell Is Empty And All The Devils Are Here

Wat doe je als je net de plaat van je leven hebt gemaakt? 'Het' nog eens dunnetjes over, natuurlijk, and good on ya, lads! Hell Is Empty And All The Devils Are Here is een staaltje zelfherhaling van Bad Religion-achtige proporties, de "Lone Gone Lonesome Blues" voor Eschaton's "Lovesick Blues". Hoewel... veel nummers klinken aanvankelijk toch nog wéér een stuk gelikter dan voorheen, het gaat regelmatig ("The Final Absolution"!) gevaarlijk de ge-airbrushte kant op van good old Fear Factory of zelfs Dimmu Borgir ten tijde van Death Cult Armageddon (AN-fähige titel zonder meer); prima bands allebei hoor, maar van the 'Thrakh verwacht je toch wat meer dan hyperblast from the past retro-futurisme. Gelukkig wordt er meestal binnen een minuutje wel weer netjes in hartverwarmende anaalnathrakh-de-gekstûûhhh stijl orde op zaken gesteld. Zo begint "Shatter The Empyrean" zowaar als latter day Killing Joke, totdat de vocal performance of the year-trofee weer voor een jaartje langer wordt veiliggesteld op Dave Hunt's nachtkastje; wat een verademing ten opzichte van die gaapverwekkende neverending Anselmo-screamalike competitie van de Amerikaanse metalbroeders. AN logenstraft wat dat betreft m'n minachting voor vocalen en drums in de metal, want ik kan toch ook moeilijk ontkennen dat bijvoorbeeld de botte bass/crash-salvo's in die goddelijk doormodulerende riff op het einde van het couplet van "Shatter The Empyrean" of de secuur geprogrammeerde hihat-dynamiek in het intro van "Lama Sabachthani" geen meerwaarde opleveren. Maar goed, die laatste staat dan ook in dienst van een riff die mij bijkans toeschijnt als de platoonse Idee van de black metal riff, zoals die van "Leprosy" (op 2:20) dat is voor death metal (qua black is trouwens Taake's "Nattestid Part I" ook een serieuze contender, waarmee we het deelnemersveld meteen maar beperken tot zes-achtsten tremolo picking riffs die je weldadig kamerbreed tegemoet spuiten als het slagaderlijke bloed uit een hoofdeloze torso). Afijn, laat ik er maar snel mee nokken, want de superlatieven schieten alweer rijkelijk tekort (godzijdank ben ik niet de enige met "het is als toen je voor 't eerst Slayer hoorde" zendingsdranggevoelens). En dat voor een plaat die toch net wat meer dipjes kent dan Eschaton, en een nieuwe "The Destroying Angel" staat er ook niet op, al komen bijvoorbeeld "Virus Bomb" en "Shatter The Empyrean" aardig in de buurt. Maar wel gewoon met twee rottende vingers in je aars de beste metalplaat van 2007, uiteraard.

Friday, January 11, 2008

TOP2007! #7: Jesu

Birmingham, England

7. Jesu - Conqueror

Tja, hoe hogerop de lijst, hoe meer ik in herhaling dreig te vervallen; over Jesu heb ik sowieso al meer dan genoeg neergepend. Moeilijk om er één liedje uit te kiezen, het is echt een plaat om in zijn geheel tot je te nemen, hij klinkt ook nu al als een Klassieker. Gelukkig vond ik er een mooi *kuch*er staan 8 nummers op Conqueror*kuch* plaatje bij ;-)

MP3 "Transfigured"

TOP2007! #8: Earth

Seattle, Washington

8. Earth - Hibernaculum

Van dat, waarover niet kan worden gesproken, moet men zwijgen.